Gedicht

Zwarte grachten vreten jonge mannen

als het avondschemeruur is uitgedund

bruggen boegen worden klauwen kaken

feesten dreunen naar hun hoogtepunt

niemand hoort het stom geplons, een snik

schrijft het breken van het laatste iPhonelicht,

een wiel dat draaiend naar de bodem schroeft

de eendenschrik trekt even aan de nacht;

daarin de grachtenrat, ze wacht het water glad

geen weten of besef, stil dromend als het lief

de vriendin, een moeder of wie waar dan ook

– totdat opeens een gat kil hun bestaan doorschiet

eerst als gegons van een verdwaalde ochtendkus

die dan krijsend knapt en als nooit meer schroeit

tot een helse wond, met de afgestorven rand

van verloren hoop – en hun ademloze levenslang,

het doffe weten over dat nooit meer.

Gedicht (29): Koningsdag

De driemiljoenste zelfoverschattende Hazes-mishandelaar komt op.
Zo te zien heeft hij er qua oogwallen echt fucking veel zin in …
Hij gaat een soort van zingen doen, begeleid door een band op teep.
Ga je moeder vastteepen, joh. Haha, humór! Biertje?

 Schor geschreeuwd: ‘Hallo [café-, wijk-, plaatsnaam], zin in een feessie?!’
Lauw gejoel. Even aan z’n oortje rommelen. Biertje.

Soundcheck. Alsof er 20 motorzagen worden aangezet. Gillende kinderen.

Geschreeuwd: ‘Oké! Deez is me gouwe ouwe! Hai is voor jullie!!!’
Universeel atonaal sleepintro uit de boxen – kan van alles worden.

Geschreeuwd: ‘Oké [verkeerde naam], laat je horen!!!’
Armbewegingen die passen bij een niet-valide deodorant-test.
Het eerste bier-traytje (leeg) vliegt naar het podiumpje.
Duimen omhoog. En middelvingers.

Overjarige dames gaan aan elkaar hangen – ‘dansen’ op een manier
die ze in 1950 al aanstootgevend vonden en zelfs vandaag best wel
strafbaar zou kunnen (moeten) zijn. Of in ieder geval onder een strakke
deodorantverplichting behoort te vallen.

Geschreeuwd: ‘Oké [correcte naam, sorry!], daar gaat ieieieie!!!’
En dan wordt het ritme van de muziek (het geluid, de geluidsbrei) opgepompt
naar 104 beats per minuut (doenkedoenkedoenke), het volume vliegt door
de pijnlijke 100dB-plusgrens, nog meer wolken toewuivende deodorant-bewegingen,
Schiphol verlegt de vliegroutes … en met een namaak plat-Amsterdams accent is
de zoveelste verkrachting van Bloed, Zweet en Tranen deze Koningsdag een feestelijk feit.

Geschreeuwd: ‘Nederland! Wees trots op je selluf!’
Doenkedoenkedoenke. De lijm van kunstgebitten begint los te laten,
kipfiletjes dribbelen uit de push-up bh’tjes, vijfhonderd meter verder
veronderstelt de oude heer Jansen dat de Canadezen weer langs komen.
Of zouden het nogmaals de tanks van die verdomde Moffen zijn?
Hij pakt zijn stok en gaat grimmig aan de keukentafel zitten wachten.

Doenkedoenkedoenke. Wát zei je?! Doe maar een meterje bier wijfie –
en o facking kut, een Aistie voor de klaine maid die zo rustig zit met
die roodwitblauwe stempels van de Action op d’r smoeltje.

Bij het andere café hetzelfde. In de wijk even verderop hetzelfde.
En in de dorpen hetzelfde – en volgens het tv-journaal ook
in de grote steden hetzelfde … Sponsored by bank en bier en worstenboer.
Lang leve de watwie? Gefeliciteerd met me eige.

Geschreeuwd: Mènsè! Wees een koning!’ Standje Usain Bolt.
Deodorant. Doenkedoenke. Oerwoudblues. Uit je dak, op je plaat.
Goeie manier om de Haagse leugenbende te vergeten.
Doenkedoenkedoenkedoenkedoenke …. ad infinitum.

Je zou het ook zo kunnen zeggen: als dit het nou dus is
waarmee een paar miljoen mensen ‘gezellie en gelukkie wezen’,
waarom zou er dan nog tijd en geld moeten gaan naar opvoeding,
opleiding, cultuur en eh … o ja, identiteit?
Doe gewoon elk kwartaal een Oranjeverjaardag. Doenkedoenke.

Afgeramde buitenspiegel, kromgetrapt fietswiel,
leeggesleurde plantenbak, alles is vogelvrij – boem.

Vele honderden ton vuilnis wordt door goedwillende, ondanks
de pislucht veelal witlachse en ten zuiden van Marokko geboren
en getogen Middellandse Zee-zwemmers opgeruimd. Mazzelpikkies.

Hullie een jobbie, wij een uitkering. Volgende week effe Mallebelja doen.

En ken die klereherrie nou uit?! De klaine maid mot slapen – ze hep rooie
vlekken van die stempelzooi – en wij motten de voetbal kijken. Teringtyfus.

Gedicht (schietsonnet)

Wat is dat voor een geluid

scherpe heisa bij de buren.

Dit gaat dwars door alle muren

komt het uit de hoek van Zuid?

 

Het zijn kogels door een ruit

B-boys staan ze af te vuren.

Het zal nog maar even duren

of de scotoes rukken heftig uit.

 

Vroeger bonje, kon je tanden rapen

de stad is nu één grote schietsalon

aan elke hand een werkend wapen

met in het gebruik veel vakjargon:

‘Ze willen dat jij direct gaat slapen

want je bent een palla coke bazon.’

Gedicht (26)

De kast staat lomp en eikig op de stoep.

Driehoog is zo’n zestig treden zweten.

In elk oog toont ze gammel, stompig oud

en looiig ook, ze wil hier niet naar boven.

 

Nauwelijks reeds verzet op de luie eerste,

die zijn doorgaans ruim en hoog gebouwd.

De kast bonkt wel – als een dof beloven

dat het grote gevecht nog komen moet

 

halverwege in de bocht van de tweede trap

bijt de kast zich wild in touw en tree

schopt moeten in gestucte muren en hecht

zich krakend juichend aan de leuning vast.

 

Wat gekietel aan de kastkont wil niet helpen

een klopje op de kale rug, dan een flinke douw.

De spiegeldeur moet overleven – met de kast

speelt zij die schoonheid heel slim uit, als vrouw.

 

De derde trap zit venijnig in het kastcomplot,

een poot breekt, treden grijpen naar het spiegelvlak.

Terug naar twee en daar is dan het winstidee:

niet meer lijden door kast en deur te scheiden.

 

Zo is het meubel uitgedeurd en laat zich willoos tillen

er is zowaar wat vreugde na het trapgatleed.

Als een verzetje gaat het nu gezwind omhoog.

De spiegeldeur komt later – blozend, licht bezweet.

 

Keurig in de verste kamerhoek staat ze daar

met de deur die klemt maar toch wil sluiten,

voor haar man de eigenaar geen groot bezwaar.

Het zachte rinkelen van de glazen heeft wel wat.

 

Deed zijn lopen het, die hete leiding van het bad,

of was de gelijmde poot te pover? Op een zomernacht

trekt iets de zware spiegeldeur traagjes heel wijd open

en valt de kast met kristal en al grinnikend voorover.

Gedicht (25)

Ronduit bozig links staat rechts

en erg link rechts roert zich flink

hoekig achter de ME. Met een linie

of twee kan het kruispunt overleven.

Vredig danst de bovenleiding

in de zon. Blauw zwaailicht vlekt

glinsters op de wissel waar net

wat klappen en de druppels vielen.

Lijn 10 was al omgeleid.

 

Er is over en weer in het lenteweer

veel boe en bah en grauw geloei

– net een potje straatvoetbal uit de tijd

dat Cruyff nog knaapje was. Tegen te veel

uit de andere buurt. Vuile stinkerds.

 

Een vrouw met Adiddas-kont

zeult zwetend aan haar Aldi-tas,

trekt koud en kwaad met arm

en mond. Geurend spul om te boenen,

bonus-negerzoenen en een handgranaat.

Geef ze allemaal een lijntje hijgt

ze bovenaan de trap – dit kutkabaal

is alleen maar dom gelul

en slecht voor Sjon zijn handel.

Gedicht (24): zonen

Het masker, jouw lieve zoon schoot

mijn lach, mijn lieve zoonmens dood.

 

Zo heb jij jouw zoon niet opgevoed –

schoft te zijn met mijn lieve zoon zijn bloed,

snel te zijn met vuile kogels felle schreeuwen

en de laffe macht van vluchten in de nacht.

 

Zo zijn zij beiden ook door God niet bedoeld

niet als scheppers van ons wereldgroot verdriet

van wij ouders – met ik een dode zoon

en met jij een levende maar dodende zoon,

met ook mijn dode zoon en ik – levend zonder leven.

 

Mijn zoon, mijn lieve zoon en ook van jou is niet meer.

Jouw zoon, jouw lieve zoon is nu een gat in ons hart.

We moeten medelijden hebben met elkaar

– en met hen. Met jouw zoon. Met mijn Moh.

Gedicht (23) – definitieve versie en ‘in aanbouw’

Met Vers van het Mes brengt de ‘avondenredactie’ van Stichting Perdu al sinds 2003 eens in de zoveel maanden een stevige dosis nieuwe poëzie met drie nog niet gedebuteerde dichters die onze nieuwsgierigheid weten te prikkelen en van wie we meer willen horen.

Aangemeld – niet geselecteerd …

Dan maar zo:

Dat, voelde ze nu, was het dus

waardoor ze er vanochtend steeds weer aan dacht

toen ze over de nog lome gracht naar college fietste

nadat ome Henk in streeppyama bij zijn buitendeur

had gemopperd over spankracht die verminderd was

en zij trappend moest denken aan de slappe band

met haar te oude vriend en wat somber toen ook

aan het verweerde elastiek van die grote Zeeman-bh,

de roze bal waarmee het Kluivert-kind ooit scoorde

– zelfs dacht ze even aan het vorige stopverfkabinet

vanwege Henks tierend-hoekige grote-zorgenklacht

na de trapval en het einde toen aan zijn Sjaans leven.

 

Had hij haar iets willen zeggen?

Ze fietste uitgedacht voorbij de lege Achtergracht

langs een in drank verdronken doorwaakte nacht

van wat nauwelijks meer lichaam was te noemen,

dacht niet meer aan Henks gezegde woord noch

aan de mannenmond die na Sjaan veel minder lacht.

 

In ‘t middaggrijs was de straat een zwaailichtzee

op de brancard lag hij met wit verstild gezicht

– zijn blonde buuf de nieuwe Sjaan ging mee –

de ogen weg en een lachje vastgevroren achter

het zuurstofmasker aan zijn kleine ongeschoren kin.

Het was niet goed, door de zwaarte van de hersenklap

die zowat alle spankracht uit hem had weggehaald –

uit zijn hoofd en ook zijn lijf. Er zat niets meer in

behalve een hartslag en een restje van het leven zelf –

tot iets voorbij de klok van half acht.

 

Dat was het dus.

 

Spankracht is een gedicht uit de bundel Amsterdam – verdicht tot 52 gedichten
verschijnt in het vroege najaar 2018.

 

Spankracht in aanbouw.

Gedicht (22): de Klassieker

Kijk de horde schuift, allengs kwieker
roodwit juichend naar hun godsovaal,
van verre hoort men reeds de speaker
punten en de schaal – ‘t moet allemaal.

Het Ajaxied gaat zingend ter Klassieker
zien hoe godenzonen zonder vrees en faal
met meer techniek en ‘n tikje fanatieker
punten pakken en 010 laten met een baal.

Een winstje gaan ze ruim vertieren
dat zal de stad nog laat goed weten ook,
op slof en schoen een nachtje bieren
en vooruit, doe dat chickie ook wat coke.
Maar met ’n nul wordt het steevast klieren
door het ‘we zijn toch niet de beste’-spook.

Gedicht (21): Zielen

Het meet 200 bij 100, zo is geschreven.

Dat is meer dan voldoende ruimte voor

een zwijgend middenpad met zwarte loper

vanaf de zware achterdeur naar de pyloon

en de onwennige zielen van al degenen

die het voorbije jaar hun lijf verlieten.

 

In de nanacht van die tijd die nu ook dood is

– het dom geboortedazen uitgeraasd

oogkassen zijn gevuld met gaas, een mes

is al eerder diep in dij en buik gedreven –

betreedt hij iets te vlot de Dam der doden

waar het wolkt en zweeft. Loodgrijs en stil.

 

Een hand brengt hem na een stap of drie

het besef van het waar en waarom hier;

bij zijn bleke vrouw was dat al eerder zo

haar zwarte handschoen zweeft constant

bij ooghoek, langs wang en eigen mond.

De duiven zijn weg, er schuurt geen tram.

 

Was je erbij dan had je het kunnen ervaren

dat alles zweefde – bewoog maar toch ook niet

er was kracht noch noodzaak geaard te zijn

geen drift meer om verslavingen te volgen,

te krijsen om een moederborst, geen reden

het eigen verlies te betreuren noch te vieren.

 

Zowat de helft zit op of zweeft in donkerblauw

een tijdlang sterker dan hun sterftekans

de oudsten achteraan – misschien een dun spoor

van tevredenheid, of nee: de rust van beelden.

Hij vraagt zich af of ze zullen buigen of juichen

als hij wuift, maar het gebeurt niet. Eeuwigheid.

 

De andere helft kleurt lichter, bijna kwetsbaar wit

zijn de zielen die het gemiddelde niet haalden.

Hij ziet dat ze uit jongere lijven komen, mooier.

Een nare kou bespringt zijn rug, machteloosheid

verdriet dat nu nergens toe dient. Toch schiet er

vlakbij als een verschrikte kraai een snik omhoog.

 

Hun licht dat hier is, maar ook de stilte stiller

dan de dood. Iets zwarts ligt dichtbij op de loer.

Zielen huilen niet, rouw lijkt overal te smeulen.

Niets kan hij doen, geen woord te zeggen. Zwijg

de dood. Geen lok is recht te leggen, geen hand

die iets mag met deze tevergeefse voortijdigheid.

 

Zij de zielen lijken het niet erg te vinden. Geen

traan, geen lach – de beeldenrust. Vredig en stil,

van een ander bestaan waaruit ook hij het kind

dat stikte, de vrouw die viel, de burgervader en

zelfs de doodgeschoten schoft terughalen wil.

Maar het kan niet, er is niets om vast te pakken.

 

De eerste rij. Geluk bedoeld, geen dag gehad.

Wanhoop schroeit en schreeuwt in stilte.

Nog drie passen, een druppel. Twee passen,

meer druppels, nog een, hij stopt. De regen.

Hij ziet dit: het dunne vocht zaait sterren op

het loodgrijs. De wind neemt alle zielen mee.