Gelukkig maar – gedicht

Individuen verklein je lachend tot dossiers,
groepen zet je om tot een simpele rekensom
de vraag naar visie en verklaring vaag je weg
de gestreken vlag van de toeslag wappert na een nacht
en een dag alweer, gedrenkt in een enge grap over macht
de schaamte over het uithollen van de mensenzorg
werd verdoezeld door het uitrollen van de virusworg.
 
Je bent verworden tot een dief van elk perspectief
de man die vond dat het volk zo met hem bofte
en zich altijd aalglad rond die o zo gewiekste mond
lachend wegdraaide in de verbale verkrachting
van het hopen en de verwachting na gebroken beloften.
 
En terwijl de veenbrand der onvrede die al maanden woedt
plotseling overal oplaait en met klinkers de pan in slaat
het molest de teststraat, station en ziekenhuis beschaadt
de afbraak van het land zonder enige bescheidenheid
voortgaat voor microfoons en camera’s en lensen
pruttelt jouw vraag de media in: wat bezielt deze mensen?
wat blijk is van dat visieloze, van een grote onnozelheid
want wie het volk knecht in zijn vrijheid  - als systeem
is bepaald geen leider, maar oorzaak van een probleem.
 
Zij die onwetend onbelezen genieten van de protectie
door de lauwe benauwdheid van de doortraptheid
en bij reflectie slechts het grootse ik zien staan
poetsen het walgelijke gebrek aan moraliteit weg
gelijk het procentje dat overal wel mis kan gaan
en misbruiken na ‘n flesje wit te hebben weggeslokt
Beau de labrador voor wat buurten tijdens de avondklok.
 
Verlekkerd, bijna orgastisch glijden ze uit elke discussie
over de hoer van Brussel, het Haagse oliemannetje
dat regeren ziet als een wedstrijdje muizengaatjesvullen
met het zegevierende ‘niemand kan aan hem tippen’
en op hun lippen de pralende vereenzelviging met zijn lullen.
 
Gelukkig maar. Want met 150 in plastic gepakte Pinokkio’s
in de Kamer vol Gedwee zou het land nog minder zijn
dan het uniforme en zielloze Nederkorea aan de Noordzee.