Oog op Amsterdam

13 november 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 11:20

Terwijl ook de derde sonate van Beethoven

zoveel mooier klinkt in het Concertgebouw

(zelfs met die niet door God vergeten noot)

afgedekt door het welgemeende ovationeel,

staat zij met betraand gezicht bibberhandig

onder ‘t natte plein in die zaal van grijsbeton

strijdend tegen echo en parkeervakakoestiek

de sonate opnieuw te strijken – Janine toch …

 

Ik heb de zeven sleutels van de deur van daar

waar ook een vergeten streek nog mooier klinkt;

zij heeft de gave om mij atonale woordenvlerk

in een droom tot meesterlijk pianist te betoveren.

Weldra schrijden wij over het zwijgend rood

van het verbaasde middenpad, het zaallicht

dood, de componisten staken hun discours en

zien hoe ik hun Steinway schuchter nader treed.

 

Janine kijkt, de mond gestreept spreekt spanning

mijn handen zijn magie, het adagio con molto

espressione begint mijn vingers in te stromen.

Zachte inzet, superieure streling van de snaar

door haar. Ik zie liefde bij de dichters van de toon

en waar de noot verging – zo hemels nu haar streek.

Dan is er ook de lach, haar finale laatste zwaai,

de doodstille zaal die ons meer geeft dan applaus.

6 november 2017

Gedicht (16)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 10:04

Leren halsband, scherpgetande blafbek

– imponeren moest zijn hond met alles,

zodat hijzelf zich slenterend in het park

met ook die stalen blaffer onder de oksel

altijd moedig en voldoende veilig wist.

 

Aanslaand schoot Rolf elk bewegen aan

die volgens zijn misvormde hondenbrein

te nader aan de baas zou willen komen

– opdat die ook in het drukke Vondelpark

orders voor de cokeshots door kon appen.

 

Maar de gehelmde die als een eekhoorn

op Nikes meedraaide achter de grote linde

hadden hij en Rolf zelfs geen ogenblik gezien

en door het heftig blaffen naar veel verderop

hoorde niemand het geluidgedempte ploppen.

 

Gemuilkorfd jankend in de dierenambulance

wilde Rolf nog met zijn baasje spelen – achter

de zwarte schermen leuk doen met dat laken

naast het uitgehuilde vochtig-rode Vondelgras

waar de witte pakken flitsten en fouilleerden

en zacht grommend het pistool veilig stelden.

 

Na een jaar jammerlijk gejank in het asiel

kwam de stalen bak met pens en paardenhart

daarna plots de duizeligheid, een laatste blaf.

In de Kinkerstraat werd een scooter uitgezet.

De helm ging af – lachend werd het kruitspoor

weggewuifd naar de kinderhand met nagellak.

2 november 2017

Gedicht (15): #shetoo?

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 12:35

In de kille gang maar niet in mijn geweten

rinkelt aarzelend en zacht de voordeurbel.

Op de deurmat staat zij doffe krullenmuts

gedegen middelbaar, een lip ietwat behaard,

wellicht gedreven door dat ene goede doel

strakjes opgewonden door een godsbericht.

 

Mijn vriendelijk-vragend ja wordt neergemaaid

met de ontkenning in haar juichende herkenning:

Nee! Aha, jij bent het! Dat wel, maar mijn

plots gevoel past niet bij welk goed doel dan ook;

er klinkt geen mooie bijbelse getuigenis, want bij

de voordeur hangt de dreiging van een volksgericht.

 

Ze zegt haar naam – mijn hoofd blijft schuddend nee.

Er komt een jaar, een halve eeuw gelee. Geen geluid.

Dan een nummer en een straat – nu wel, een vage geur.

Ze was blijven slapen, eigenlijk tegen zin en bedoeling in.

Zo ver was ze niet en ‘s ochtend moest ze naar een college.

Het was fijn, kuste ze me wakker. Ik kom er zelf wel uit.

 

In mij geen herkenning, wel aanwakkerende herinnering

aan mijn tot blanke onschuld opgeschuurde keukentafel

– met een pot thee. Haar tekst wankel over de verleden tijd.

Eerst wilde ze niet, dat wist ze zeker. Maar eigenlijk ook wel.

Had ze zichzelf toen verloren, of juist eindelijk gevonden?

Dwang of droom. Geheugen of fantasie. Haar eerste keer.

 

In een geheugen zit geen leugen. Ik vertelde mijn verhaal.

Ze was oké, maar te veel wijn op om terug naar huis te gaan.

Een vrolijk wederzijds logeerbesluit, de kleren bleven aan.

Welk been dat warm bewoog ging traag omhoog, wat raakte

wat? Een hand vond rust, een kneepje werd zacht lachend

weggeduwd, kwam stoeiend terug en ontplofte in orgasmes.

 

Een trilling door het tafelblad. Toen schreeuwde het ook,

dat was de vroege 1 of 2, door de symfonie der spreeuwen.

Ze knikt, ze zucht en drinkt het restje lauwe thee,

de koek lijkt op, de laatste kruimels neemt ze mee.

Ze staat, kijkt rond met strakke mond. Leuk heb je het

hier zoals je gaat. Het is echt goed zo. Ik kom er zelf wel uit.

27 oktober 2017

Gedicht (14)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 10:52

Als je zomaar zegt twaalf vijfenzeventig

denkt zij aan die neppe tas bij Forever 24

of dat blauwe slettensetje van de Hema;

hij beseft dat roken nu zo duur is, of wacht:

het is die zeldzame overstap op het Amstel.

 

De student denkt dat het als tijd niet kan,

aan wat hij gisterenavond kwijt was voor

zijn nieuwe date – ze was het zeker waard

en het meisje waarbij hij fooiloos die 12,75

aftikte, fietste later sip-alleen naar huis.

 

Maar weinigen telden stil die vele jaren

(slechts het begin der locale eeuwigheid)

die verstreken sinds het hier door Floris V

zijn tolprivilege heel bescheiden met recht

een stad werd op die 27e oktober in 12 75.

24 oktober 2017

Gedicht (13)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 13:57

Of vader Eberhard, in vele buurten wijken reeds gemist:
‘… dat het de lieve stad blijft, die het is.’

Of die toekomst door raadslid posterum ANanninga gedist:
‘De stad is op, dood, klaar en verloren.’

Of veeleer hij – vrij, onverveerd – de dagbladcolumnist:
‘… inspirerend, krankzinnig, boos, luidruchtig, schandelijk,
geil, met gogme, met schandalig veel humor, met lust.
En lief – natuurlijk, dat mag best.’ Stad, zijn perfecte hoer.

Of Starik stadsdichter ooit, die direct al dichtte wat hij wist:
‘… maar een stad bemint niet, een stad heeft geen hart.
Dat hart, dat was jij.’ Lang nog nadat het stopte.

Die jij die zei: ‘Zorg goed voor onze stad en voor elkaar.’

Voor die kluwen van gein en weggeleefde eenzaamheid,
verstilde zielen en voorbijgaande koffers, liefde en haat om
hetzelfde en van de ander – die verbijsterende ochtendstilte,
een ritselend herfstblad en de buurtrat die zijn leven aan
de Looiersgracht never nooit niet in 010 had willen leiden.

En elke dag ‘daar is ze weer’ en elk moment – zonder dat we
’t van elkaar begrijpen – al die voeten en fietsen en die tongen
en Babylonische tonen uit handen en gedachten die vormen
en misvormen en niet beseffen dat en wat we eraan bijdragen.

Wij ademen stad, wij zijn haar longen; wij zien en worden
bekeken – wij zijn haar ogen; haar mond, haar reuk, haar
borst en buik, haar haarvaten vol en elke dag gretig opnieuw.
Wij de kakefonie, wolken van lawaai en strepen vol wild
geschreeuw tussen beiden of door allen – wij zijn haar stem.

Wij allen zijn stad, wij allen zijn het dna van haar eeuwigheid.
Allen zijn haar ziel, samen onze eigen Holman-hoer. En ach,
soms kapotgeschoten dood, wat haar lief en lekker levend houdt.

We denken, dus we bestaan. Wij zijn, dus wij Amsterdam.
Mits – zoals hij te vroeg verzocht te doen – die goede zorg blijft.

22 oktober 2017

Gedicht (12) – Lijn 11

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 16:16

Vannacht om dertien over half drie
pakte ik op het Leidseplein – taxi’s weg,
lichten uit, geen kalf te zien – lijn 11.

Het witte wagenstel schoot geluidloos door
naar de verlaten groen verlichte Rozengracht
waar zij in die kroonjurk stond te wachten.

Het zoefde zonder weerga naar de Dam
en toen stapvoets langs het monument
dat met 193 oranje truien was behangen.

De halte bij de Beurs, de Koningin knikte,
ze had behuilde ogen, stapte stil afwezig uit.
Er kwam wat Bach uit hoge spanningsbogen.

Harder ging het – als het levenslicht zo snel.
De klap tegen het Centraal was fenomenaal –
de tram schoot gruizend door tot in het IJ.

Water kletste – er is gepraat geschreeuw
dat het bovenburenbad is overstroomd,
de vloer het plafond dat niet meer houdt
en ik nu beter maar direct m’n bed verlaat.

19 oktober 2017

Gedicht (11) – Rembrandtplein

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 14:08

De rails is nat, het is al laat
nergens meer een mens
alleen mijn fiets die slist
in een verlaten Vijzelstraat.

Beweging op de Munt
vreemd licht berijdt de rails
er was wind, die nu zwijgt.
Een engel? Had gekund.

Een lamp flitst uit en aan
een vrouw doet zangeres
zacht maar mooi – haar
naakt raakt mijn bestaan.

Zwaaiblauw is ’n zwoeger
een stroef gesprek begint
koud licht streelt de borst
die ik herken van vroeger.

Meegaan is niet haar lijn
met kleine kreet de macht
voorbij, rent de vrouw
naar het Rembrandtplein.

Er klinkt een laatste roep –
flitsend door de Bree gefietst
zie ik ’t blauw gecirkeld staan
en gromt de beeldengroep.

Ergens is mijn oud-beminde
maar in de gegoten kilte
van de wachters van de nacht
is niets van haar te vinden.

De zon die beelden kust
het afzetlint verdwenen
vogels zingen in de wind
ze geven het verleden rust.

Het was nogal complex –
een wens of dwaze droom?
In beetjes smolt de schroom
voor haar – mijn liefste ex.

Nu soms, ver na middernacht
fiets ik om en neem het plein,
danst ze aan een bronzen arm
en ben ik blij als ze teder lacht.

10 oktober 2017

Gedicht (10) – Lieve mens

Filed under: amsterdam,gedicht — oogopamsterdam @ 09:35

Geen gezwollen woorden – Niet ouwehoeren!
Geen wollige antwoorden – Ik maak alles klein.
op weggewoven levensvragen – In momenten.

Eerder het beleefde bijna selfieloze zwijgen
van de rondvaartboot vol begrijpende toeristen
die ademloos en statig als een stadszwaan
zonder kielzog langs zijn ambtshuis glijdt.

Vooral de zwijgende tranen – ‘Hij wás de stad’, in
gekerfde boekdelen en rond de lipstickmond – …;
een flesje drank van ome Jan – ‘Voor onderweg’

en het kindersjaaltje van zijn voetbalclub.

Vooral de boeddist die buigt, een kruisje slaat
en bovenal de zucht van haar
niet van hier, maar wel zeker zo sprekend:
‘Die was een lieve mens …’

5 oktober 2017

Gedicht (9)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 09:42

Ik reed van nu naar vroeger en
kwam zo door de Bijlmermeer
waar ik al jaren niks mee heb
maar wel een keer ben geweest
vanwege een date met een zwoel
‘moet van mijn poes houden’, plus
een ronde boezem, slanke leest.

Ze woonde middenin een dikke wolk
van multiculti doorgekookte preien
dus in een flat van sociaal-geknikt beton
krappe trapjes en meertalige gehorigheid
vol eeuwig onverstaanbare ruzies
met overal steeds weer andere buren
waarvan geeneen een kabeltrui kon breien.

Binnen zag het er prima uit
schone bank, Ikea-knutseleethoek,
de namaakvloer uit Finse wouden
bracht echt wel sfeer in haar
lekgeplekte schoenendoos;
er brandde wierook van Xenos
spiritueel – dat had ze goed onthouden.

Gematigd vrolijk gaf ik haar een hand
ze lachte achter haar andere –
verlegenheid, dacht ik (zelf ook)
en schatte wat ik schatten kon;
ze droeg een fijne blouse, dat was wel wat.
Op tafel stond het zelfgekleide theeservies
daarnaast zat hare roerloosheid – de poes.

Het was heus wel gezellig
en toch ontbrak er iets;
toen ze tegenover me zat en
ook zij zich licht ontspande
zag ik och hemel wat dat was:
een vleugel van haar neus –
er zat wel korst en donkerrood.

Ze zag dat ik het zag – en zei
alweer een tijdje terug
wilde de poes wat kopje-vrijen
en toen had ze opeens pats!
scherp uitgehaald – het beest.
Een neusvleugeltje vloog weg –
het was een heel gedoe geweest.

Een vergissing van haar poes – natuurlijk
het is toch zo’n een vreselijke lieverd;
nadat ze nog ’s de thee had ingeschonken
gaf ze de poes vol liefde een kopje-vrij
en – Jezus, help! – die haalde weer uit,
nu lag de andere neusvleugel vlak bij mij.
Het leek wel alsof er gierend hard
zo’n maxifles van Heinz was leeggeknepen.

Gillend struikelde ze naar buiten
deuren vlogen open, kinderen weg;
Jezus, dacht ik, Jezus wat een pech,
straks hang ik voor molest, maar
een buurman van opzij of boven
schreeuwde zo hard hij kon:
‘Alweer – ‘t is godver niet te geloven!
Probeer ’s op een normale manier
aan je gerief te komen!’

Ik was benieuwd of ze
haar poes die vreselijke lieverd
nog heeft – en ook een vent
die haar zo zonder vleugeltjes
best nog wel aantrekkelijk vindt.
Maar ik moest verder terug
in de tijd – en het was al laat.

30 september 2017

Gedicht (8)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 20:27

Ontruimen doet krotten kraken;
de vastgoedwil heeft weer bereikt
dat blauwe busjes helmen braken,
in puin en stof een ideaal bezwijkt.

Lekke banden verfgevulde handen
tranend gas snijdt vuil de adem af.
Bloed in druppels bandenbranden
een steen gegooid oogt toch wel laf.

’s Avonds ligt ze met een sigaret
oh Elza, in de liefde en behuild;
vertelt het kraken van mijn bed
wat zich dan niet meer verschuilt:

buig dit lichaam uit de leegstand
vul haar kamers met genot
raak de drempels met je heerhand
bemin me tot ik ook verkrot.

29 september 2017

Gedicht (7)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 17:30

De smalle hand daar in de gracht
schijnbaar moeiteloos geklampt
aan de staande rimpelspiegeling
van de vingers van de Lange Jan
zou heel goed de witte rechter
van mijn buurvrouw kunnen zijn
die nu een week door haar kater
en ook de slijter wordt gemist
en zoals het er nu naar uitziet
binnen een klein kwartier door
brandweerhanden en wat haken
uit het prinsenwater wordt gevist;
met waarschijnlijk aan die hand
niet alleen een mouw maar ook
de rest van die aardige mevrouw
en mogelijk komt, voordat ze straks
dichtgeritst per grijze bus vertrekt
er een broeder naar de kater kijken
die fijn voor ’t droeve dier een blikje
feestmaalvis met liefde opentrekt.

Hij glipte en verdween zowat meteen
anders dan zij dat wazig had gedaan:
een zoekende stap, een voet die slipte
een stille salto op een gladde steen
’t plonsje door een volle 13 weggebeld
en doornat dood – met het slagzwaard
van een neut te veel te vroeg geveld.

28 september 2017

Gedicht (6)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 15:42

Als in een droom en preppy wapperblond
oortjes in oren, ogen aan de voorvork vastgeplakt
vloog ze struis wellustig over de Overtoom
plenty leefgeluk in haar trendy baggie weggepakt.

Ze was te laat op weg om werkelijk op te passen
op de koters van die ouders met zo’n risicobestaan
kinderen aan wie het niets ontbrak behalve liefde
ze wist dat zij later een andere levensweg zou gaan.

De vraag is of ze als oppas het stadsverkeer pas
begreep op de tramrails van de Huygensstraat
toen daar de taxi, veel te hard, kwam aangereden
– als ze die al heeft gezien, dan was dat veel te laat.

Op de begrafenis was iedereen erg mooi en druk
een soort black sensation, trendy en toch gewoon
met speeches en een licht gezongen In my hart
doorgetweet met zo’n I’m always connected-phone.

Het kruispunt mijd ik maar voortaan en blinkt
er elders zo’n blonde flitsend snelle oortjes-meid
dan kijk ik die verwijtend en waarschuwend aan:
straks kent ook jouw geluk een plotse eindigheid.

26 september 2017

Gedicht (5)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 16:47

Het zeikend wijf dat woest en wild
in de stalen krul een schoen verpist,
zich ook nog eens teweer moet stellen
tegen zo’n domgemutste hashtoerist

die zich zojuist gretig geil vergaapte
aan ’t geheim van ruisend dijenvlees
met daaruit ’t gouden ochtendgloren
waarvan zo stil een fijne damp oprees;

– ze buldert naar de muts dat zij, door
Vrouw Justitia bepaald om daar te pissen,
goed zag dat hij haar hammen schoot en
dat ‘ie nu de foto’s fucking snel gaat wissen.

Er is een overdaad aan mensverschillen
maar met blote vrouwenbillen in een krul
is de gendergelijkheid vleselijk overschreden
en staat vooral de rechtbankman voor lul.

25 september 2017

Gedicht (4)

Filed under: gedicht — oogopamsterdam @ 17:53

De dood ziet zwijgend hoe zij
een kaart keert en kijkt
naar het beeld dat gelijkt
het lachje in haar hart – van mij.

Lijn tien bellend hoort ze niet
als een traan trekt aan de kraaienpoot
en het tafelkleed vlamt in ’t avondrood.
Er kruipt wat leeggehuild verdriet.

Daar het raam, een arm die wenkt
dat ze nu maar mee moet komen,
stoppen met wat het leed verlengt.
Een vlaag breekt door de bomen
als zij zichzelf de vrijheid schenkt
verlost van God en valse dromen.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.

%d bloggers liken dit: